De Heen- en Terugreis van de Levensstroom

ONDERWERPEN: het innerlijke, mystieke pad

Geascendeerde Meester Gautama Boeddha, 17 juni 2012

Het oneindige. Het oneindige rijk. Geen vormen. Geen verschillen. Alles is één.
Alles is één, maar uit dat oneindige begint zich een vorm te ontwikkelen, een vorm, een kristallijnen structuur en die begint individualiteit, van zichzelf gewaar zijn, te ontwikkelen. En vervolgens stemt die zich af op díe kracht die ervoor heeft gezorgd dat het uit het oneindige ontstaan is, de creatieve energie van het Creatieve Wezen, de bron van alles, zelfs de bron van het oneindige.

Naarmate hij meer van zichzelf gewaarzijn ontwikkelt, wordt hij zich bewust van de aandrang om zichzelf tot uitdrukking te brengen. En dan ziet hij dat er daar beneden in de diepte een rijk van vormen bestaat dat nog niet verheven is naar het een-zijn met het Al. Hij voelt een potentieel, liefde, het potentieel om zichzelf tot uitdrukking te brengen, creatief te zijn, Godeigenschappen daar naar toe te brengen, en hij vormt de wens om deel uit te maken van die opstijgende wereld. Dus hervindt hij zich, concentreert zich, en maakt het mogelijk om langzaam af te dalen, als een blad van een kersenbloesem dat zich losmaakt van de boom en naar beneden wiegt.

Dit zelf komt in de materiële wereld terecht en eerst is het slechts een verzameling watermoleculen die in de lucht hangen. In het begin is hij verrast dat de lucht, hoewel het lucht is, zo dicht is vergeleken met het oneindige rijk. Hij heeft enige tijd nodig om aan dit gevoel te wennen: “Wie ben ik in dit luchtige rijk? Ben ik slechts een verzameling watermoleculen, of ben ik een geheel, een verenigd geheel?”

Dan ziet hij dat hij, om aan zijn creatieve aandrang te voldoen, nog lager in een fysiek lichaam in het materiële rijk moet indalen. Hij ondergaat de concentrerende kracht die net lijkt op de koudere temperatuur die de lucht afkoelt en dan de watermoleculen condenseert tot een enkele druppel water die zich vervolgens van de lucht afscheidt, niet langer in de lucht kan blijven hangen en versmelt tot een druppel die uit de lucht valt, zich door de atmosfeer heen slingert tot hij ineens met een grote schok op een rots uiteenspat.

Het verschil tussen de dichtheid in de hogere rijken en het materiële rijk is heel groot, en de schok van incarneren lijkt op een waterdruppel die de rots raakt, in kleine deeltjes wordt verspreid – en daarna het gevoel heeft dat hij zich wil oriënteren op deze nieuwe situatie, dat er een kracht is die hem naar beneden, beneden, beneden trekt. Zo hij herneemt zichzelf tot een druppel die in die richting gaat. Ze botsen, vormen een grotere druppel, worden nog steeds door deze kracht naar beneden gezogen en ze worden één met andere druppels tot ze een klein waterstroompje vormen.

Die begint over de rotsen naar beneden te slingeren, en maakt een zacht geluid terwijl hij verder gaat in die neerwaartse richting. Vervolgens komen er nog andere kleine stroompjes bij tot zij een grotere stroom vormen. Nu gaan ze sneller en krijgen stuwkracht, het geluid escaleert tot een oorverdovend lawaai, terwijl ze een kleine bergstroom vormen, die zich over het oppervlak van de rotsen heen een weg baant, steeds verder, steeds verder naar beneden.

Het lijkt wel alsof ze alleen maar kunnen denken: “Er moet iets zijn wat wij moeten bereiken. Wij moeten iets vinden, wij moeten wel deze richting uitgaan vanwege die niet te stuiten kracht die ons opstuwt.” Geleidelijk aan vormen ze een nog grotere stroom en als deze eindelijk een minder steil deel van de berg bereikt, krijgen de individuele druppels het gevoel dat zij weer een bepaald identiteitsgevoel kunnen herstellen.

Hoewel zij nog steeds meegevoerd worden op de stroom, kunnen zij in ieder geval wel voelen dat zij een bepaald gevoel van individualiteit, van eenheid, van een samenhangend bestaan, hebben. Hoewel ze nog steeds over elkaar heen duikelen, hebben ze toch het gevoel: “Ik heb een zelf. Ik besta. Ik ben mij bewust van mijn individualiteit.”

De reis gaat verder. De afzonderlijke druppels worden zich geleidelijk aan meer van hun omgeving bewust, ze bekijken het landschap dat voorbij schiet, ze zien de bochten en krommingen in de rivier, de uitstekende rotsblokken, die hen van koers laten veranderen. Ze beginnen bepaalde patronen te onderscheiden, ze beginnen enig inzicht in deze wereld te krijgen waar zij zich nu door heen bewegen.

Dan komen zij uiteindelijk bij een vlakte onder de bergen waar de rivier breder wordt, niet zo snel meer is. Nu hebben ze meer tijd om over het raadsel na te denken dat zij moeten oplossen. Wat voor wereld is dit waar zij door heen gaan en wat ik het IK dat zich beweegt? Ze krijgen steeds meer bewustzijn en een gevoel van innerlijke rust terwijl ze in de rivier meedrijven.

De rivier wordt steeds breder en maakt grotere krommingen. Op den duur worden sommige daarvan afgesneden, lopen dood en een aantal waterdruppels komen daar een poosje in vast te zitten, terwijl andere met de stroom mee blijven drijven. Juist op het moment dat zij het gevoel krijgen dat zij weten wie zij zijn en hoe de wereld in elkaar zit, begint de rivier naar de oceaan te stromen. Maar dat is geen kalme oceaan, het is de Zee van Samsara, de zee van lijden, waar de waterdruppels heen en weer worden geslingerd in steeds groter wordende golven tot ze elk gevoel van controle dat zij hadden, verliezen.

Deze roterende beweging, waarbij de afzonderlijke druppels in een cirkelende beweging in de rondte worden geslingerd, kan heel lang doorgaan. Een paar golven worden op den duur op de rotsige kust geworpen, waar zij opnieuw worden gescheiden van het geheel, in individuele golven uiteengescheurd, die dan langzaam aan hun weg naar de oceaan terugvinden.

Na eonen van tijd begint de druppel het gevoel te krijgen dat er misschien een alternatief is voor het heen en weer geworpen te worden door een kracht van buitenaf. Zij beginnen te onderzoeken of een druppel alleen maar door de golven heen en weer geslingerd kan worden, of dat de druppel de golf moet volgen waar die golf ook maar heen gaat. De druppel begint meer wijsheid te krijgen, niet die wijsheid om te krijgen wat hij maar wil op de wereld, maar de wijsheid die hem in staat stelt om de wereld te transcenderen, de strijd die van de Zee van Samsara een woeste hel van golven maakt die vaak tegen elkaar aan botsen of op de rotskust uiteenspatten.

Geleidelijk aan krijgen deze druppels het gevoel dat zij niet meer mee willen doen aan die worsteling, maar zij kunnen het gevoel nog niet loslaten dat zij naar iets op zoek moeten gaan, zij moeten iets voltooien, het verschil dat zij willen maken op deze wereld. In plaats van op een rotskust te worden geworpen, worden ze nu op een zandstrand geworpen, ze spoelen aan op het strand, en ze stuwen het zand op tot de opwaartse impuls uitgeput raakt en ze vervolgens aan de zwaartekracht worden onderworpen die hen weer de zee inzuigt.

Vele druppels moeten deze beweging vele keren ondergaan, van aanspoelen op het strand, een bepaald hoogste punt bereiken, een keerpunt, en dan weer in de oceaan terugrollen, opnieuw heen en weer te worden gewenteld in de golven, om weer omhoog gestuwd te worden, en de beweging keer op keer te herhalen. Op den duur krijgen een paar druppels het gevoel dat er meer moet zijn dan dat gevoel van iets moeten voltooien, van iets moeten doen, zelfs van het gevoel dat ze de kust moeten afslijten door die herhaalde beweging van heen en weer gaan.

Wat doen deze druppels wanneer ze het begin van Boeddhische wijsheid verwerven? Ze beginnen de werkelijkheid te onderzoeken, de waarheid over de wereld waarin zij leven, waarin zij bestaan, de waarheid over de verschijnselen. Ze begrijpen dat hoewel zij een druppel in de oceaan zijn, zij niet de bewegingen van die oceaan hoeven te volgen.

Ik kan dieper gaan, want in plaats van mijn aandacht te richten op het oppervlak van de oceaan, waar de golven constant in beweging zijn, kan ik mijn aandacht naar binnen richten. En terwijl ik dat doe, ga ik verder dan de circulerende beweging van de golven. Ik bied geen weerstand meer, ik bied geen weerstand meer om in het water te blijven drijven. Ik word stilstaand water en ik laat mij naar de diepte van de oceaan zakken.

Wanneer de druppels zich onder het oppervlak van de bewegende golven laten zinken, raken zij soms gevangen in een oceaanstroming, want zij willen nog steeds graag deze diepere niveaus van de oceaan zelf onderzoeken. Ze willen de reikwijdte van de oceaan, de bewegingen, de diepere subtiele bewegingen van de oceaan, kennen. Zij gaan een poosje mee op deze stromingen die hen nieuwe ervaringen opleveren, nieuwe vergezichten, en dus ook nieuwe reflecties op het zelf. Zij nemen nog steeds deel aan het onderzoek naar de natuur zelf, door te zien hoe het zelf naar hen wordt gereflecteerd door de kosmische spiegel van de oceaan.

Zij stromen, zij reizen door die diepere rijken die oneindig kunnen lijken, maar na een poosje kan een druppel zelfs dan misschien tot het besef komen dat er meer moet zijn dan die stroming in de oceaan. De druppel begint zich af te vragen: “Moet een druppel altijd in beweging zijn?” Dan worden een aantal druppels zich misschien bewust van het feit dat zij een lange reis hebben afgelegd. Alle druppels vergeten hun vorige stadia af en toe, maar wanneer jij bij de laatste stadia aankomt, begin jij je te herinneren, niet altijd tot in detail, maar jij begint je te herinneren dat jij al heel lang geleden hieraan bent begonnen, heel ver weg in een hoger rijk. Dat je toen in het luchtige rijk kwam, en dat je daarna tot een druppel bent samengesmolten die is gevallen.

Vanaf het moment dat jij op die rots viel, leek het alsof jij op reis was, en jij kon jezelf niet tegenhouden. Jij werd door diverse ervaringen heen en weer geslingerd, bent van de bergwanden geduikeld, daarna in de sterkere rivier, vervolgens in de langzamere rivier, daarna in de oceaan, daarna door de golven heen en weer geworpen, op een rotsige kust uiteengespat, op het zandstrand, en daarna door de stromingen meegevoerd.

Daarna kregen een paar druppels het gevoel dat zij genoeg kregen van die reis door het niveau van bewegingen. Ze wilden graag naar het niveau terugkeren waar zij vandaan gekomen zijn, het niveau van het oneindige. Zij zien in dat zij zich niet meer moeten vereenzelvigen met die beweging, zij moeten ophouden te denken dat zij ergens naar toe moeten, iets moeten doen, iets op de wereld afmaken, zij moeten stil worden.

Daarna, nadat zij door wat verwarring zijn heengegaan, beginnen zij zich aan de stilte over te geven. In het begin voelen zij misschien nog: “Maar ik heb zo lang gereisd en ik heb mijzelf als een druppel in beweging beschouwd, wie ben ik als ik mij niet beweeg?” Ze kunnen bang worden en gaan trillen, maar toch beginnen ze zich op den duur te realiseren: ik ben in de stilte begonnen en als mijn zelf dan uit die stilte is voortgekomen, hoe zou ik dit zelf dan kunnen verliezen als ik naar die stilte terugkeer? Dan gaan zij inzien dat zij naar die stilte kunnen terugkeren, zonder wat zij op hun lange reis hebben verzameld in het rijk van de beweging, te verliezen.

Het zelf dat terugkeert, is natuurlijk meer dan het zelf dat vertrok. Maar hij keert terug door zich af te scheiden van de vereenzelviging met de vorm, de identificatie met de beweging, en komt dan terug bij het gevoel van een stil zelf, een niet bewegend zelf, een oneindig zelf, een geïndividualiseerde uitdrukkingsvorm van de oneindige Schepper. Maar dan wel met oneindig veel meer zelfbewustzijn dan toen hij de eerste keer naar beneden daalde.

De druppel gaat beseffen dat als hij naar het oneindige rijk wil terugkeren, het geen kwestie is van iets in het rijk van bewegingen voltooien. Het is geen kwestie van iets buiten het zelf veranderen, het is geen kwestie van ergens in het rijk van het eindige, ergens komen. Het is slechts een kwestie van zo stil worden dat hij weer contact kan maken met het feit dat hij uit de stilte werd geboren en die stilte nooit heeft verlaten. De stilte is de achtergrond voor de beweging. Zonder stilte kon er geen beweging bestaan en dus begint hij eindelijk de waarheid die tot uitdrukking wordt gebracht, in te zien dat alles de Boeddhanatuur is.

Hij gaat zien: “IK BEN de Boeddhanatuur. Ik heb een bepaald geïndividualiseerd zelf gevormd dat door de wereld van de verschijnselen is gereisd, maar deze verschijnselen zijn ook de Boeddhanatuur die zich in die vormen hebben gemanifesteerd. Nu heb ik het gevoel dat mijn reis klaar is, en ik wil graag terugkeren naar het rijk van stilte als het zelf dat ik nu ben.” De druppel kan dan zijn aandacht uit de wereld van bewegingen, de verschijnselen die zich lijken te bewegen, terugtrekken. Hij maakt zich zelfs los van de stromingen in de oceaan en zakt naar beneden. Hij geeft uiteindelijk al zijn bewegingen op en laat zich, steeds dieper, in de oceaan zelf zakken.

Maar die oceaan zelf heeft geen bodem. Hij zakt nooit naar de bodem. Terwijl hij steeds dieper wegzakt, begint hij in feite aan het alchemistische proces om de staat te transcenderen dat hij een waterdruppel is. Hij begint zich dan in ether om te zetten, en ineens weet hij niet meer of hij nog steeds naar beneden of omhoog gaat. Na een poosje beseft hij dat hij omhoog stijgt, want hij verandert in ether, eerst in watermoleculen die weer in de lucht opstijgen en dan terug naar de etherische vormen, het etherische gevoel van zelf, dat nu groter is dan toen hij aan deze reis begon.

O wat fijn om in die stilte terug te komen. Je wordt niet niets. Je wordt ‘geen iets’, want jij vereenzelvigt je niet meer met ‘iets’. Desondanks kun je nu, als jij dat wilt, de positie innemen die een Boeddha heeft die nog steeds met de levensstromen werkt die op een planeet zoals de Aarde geïncarneerd zijn, die zichzelf op een of andere manier proberen te verheffen, zodat zij beginnen te ontwaken uit die onderdompelingservaring, begrijpen dat de verschijnselen geen macht over hen kunnen uitoefenen, en dat zij dus ook het verlangen in hen kunnen voelen opkomen om naar die stilte terug te keren.

Maar als je eenmaal naar die stilte bent teruggekeerd, kom je niet vanuit de wens om mensen te dwingen of hen te veranderen of een bepaald resultaat te verwachten. Je blijft altijd in die stilte, en dus bekijk je de aarde met totaal nieuwe ogen, met een totaal andere visie, waardoor jij inziet dat geen van de verschijnselen echt bestaat. Het enige wat waar is, is de transcendentie van het zelf door eerst te worden ondergedompeld in verschijnselen, zich daarmee te vereenzelvigen en dan geleidelijk aan door verscheidene stadia uit de identificatie met de vorm gewekt te worden en terug te keren naar de stilte.

Dus is het mogelijk om te beginnen je op die stilte af te stemmen, ook voor een wezen dat zich nog in de Zee van Samsara in een fysiek lichaam bevindt. Deze uitdrukkingsvorm, die vanuit het hart van de Boeddha’s van alle tijden komt, is een werktuig, een kans, voor hen die bereid zijn het perspectief te krijgen dat zij niet hun huidige omstandigheden zijn, zij zijn niet het zelfgevoel dat zij momenteel hebben. Daarom kunnen zij zich aansluiten op de immensiteit van de reis die zij hebben ervaren, het perspectief op hun hele reis krijgen en zo beginnen te begrijpen dat de omstandigheden van dit moment slechts een fase zijn.

Je kunt er op elk moment aan voorbijgaan, eronder zakken door geen weerstand meer te bieden, op te houden met de worsteling. Alleen het zelf in de buitenwereld heeft het gevoel dat hij moet blijven schoppen en in beweging moet blijven om te voorkomen dat hij zinkt, want hij denkt dat hij dan verdrinkt. Het ware zelf verdrinkt niet in de stilte. Hij vindt het leven, het ware leven, in die stilte. Je bent uit de stilte gekomen, je vindt het ware leven nooit in de beweging. Je vindt dat door naar die stilte terug te keren – die stilte, de stilte die IK BEN.

Want IK BEN Gautama. Ik bekleed het ambt van Heer van de Wereld, en ik ben het wezen dat de ruimte handhaaft die het mogelijk maakt voor degenen die geïncarneerd zijn om daar doorheen te reizen. Vorm heeft ruimte nodig om te bestaan, en ik ben dus het kruispunt tussen het rijk van stilte en het rijk van bewegingen. Dit betekent dat niemand in de stilte komt dan door het ambt dat IK BEN. Dus reik ik dit geschenk uit, opdat jullie het kunnen gebruiken wanneer je dat wilt. Je kunt ernaar luisteren, je kunt het opzeggen, je kunt je er ook in onderdompelen, en dus is de verhandeling af, want de stilte heeft de verschijnselen van de wereld van bewegingen doordrongen.

De stilte heeft haar aanwezigheid kenbaar gemaakt en hoewel de demonen van Mara er misschien tegen in opstand kunnen komen, kun jij de Boeddha boven jou visualiseren. Dus kun jij je hand uitstrekken, en met mijn hand die over die van jou heen ligt, kun je de aarde aanraken en zeggen: “Vajra! Vajra! Vajra! Vajra! Vajra! Vajra! Vajra! Vajra! Vajra,”, en zo erkennen dat jij het recht hebt om in die stilte te zijn, terwijl jij je nog steeds een fysiek lichaam bevindt.

Wanneer je dit doet vanuit het punt van stilte in plaats van de dagelijkse denkgeest, zul je ervaren dat de aarde opstaat en erkent dat jij het recht hebt om de geïncarneerde Boeddha te zijn. Dit is een mogelijkheid die iedereen heeft, dit is een potentieel waar ik, Gautama, het evenwicht voor bewaar, want ik bekleed het ambt dat maar één bedoeling heeft, namelijk de mensen die geïncarneerd zijn de kans geven om zich bewust te worden van het feit dat zij de Boeddha al zijn.

Allen hebben de Boeddhanatuur, want stilte is de achtergrond voor alle bewegingen. Het is slechts een kwestie of jij je op de beweging of op de stilte concentreert, want jij hebt de vaardigheid om uit beide te kiezen, en de keus is aan jou. Wanneer jij ervoor kiest je op de stilte te richten, dan ben jij de Boeddha die geïncarneerd is. IK BEN Gautama.